Column: De wachtkamer

Het ophalen uit de wachtkamer is een soort toneelstuk. Het is een vast script door een onbekende regisseur. Het gaat ongeveer zoals dit: De dokter doet de deur open en het rode doek gaat omhoog. Even sta je als dokter op een podium en het publiek kijkt je verwachtingsvol aan. Dan volgt de tekst van de dokter: “mevrouw de Vries”. De naam van je medespeler die ook een rol mag vervullen in het toneelstuk. Iedereen kijkt dan haar aan en ziet het schouwspel van de ontmoeting tussen dokter en patiënt. 

Net zo goed als een acteur zijn tekst kan vergeten slaat ook bij de dokter soms de twijfel toe.  Heb ik wel goed gekeken? Was het toch niet meneer Visser? Kwam de man nou, of was het de vrouw? Onzekerheid op z’n moment wil je niet laten merken. Je wil toch een goede eerste indruk maken. Bovendien helemaal zonder conseqenties is het ook niet. Voor je het weet zit de verkeerde patiënt voor je.

Het oefenen van mijn script duurt langer en is intensiever als het buitenlandse namen betreft. Trema’s, streepjes, cedilles, meerdere klinkers of medeklinkers achter elkaar die in de Nederlands taal geen enkele waarde hebben. Laat staan dat ik ook nog een beetje last heb van dyslectie, dan wordt het nog meer een uitdaging. Maar ook voor een niet-dyslect zal het lastig zijn. En dan na ‘lang’ oefenen volgt het moment supreme: ‘Meneer Mu’ayyed Mir-Damádi.’ roep ik met twijfel in mijn stem.

Een vrouw met een brede grijns staat langzaam op en loopt mijn kant op…
Het rode doek valt. De deur sluit. Dit keer geen staande ovatie of applause.